De Standaard over aflasten Q61 Cemetery - 8 augustus 2015
In de Volkskrant over aflasten Q61 Cemetery - 5 augustus 2015
In Het Parool over The Black Piece - 22 september 2014
In de Volkskrant over The Black Piece - 19 september 2014
In de Telegraaf over The Black Piece - 19 september 2014
In De Standaard over Q61 Cemetery - 25 augustus 2014
Portret Ann van den Broek In TM
In Dans Magazine over Domestica - september 2012
In TM over LIstEn & See - november 2011
In Plug Out over LIstEn & See - november 2011
In de Volkskrant over I SOLO MENT -
6 november 2008
In Zuiderlucht over Co(te)lette - september 2008
In de VPRO gids over E19 (richting San José) - augustus 2006
In Haarlems Dagblad over FF+Rew -
26 november 2002
 
Dans niet op mijn graf
Zou u protesteren tegen een theater op de plek waar een geliefde begraven ligt? De choreografe Ann Van den Broek ondervond deze week opnieuw hoe moeilijk dat ligt, toen haar voorstelling in Den Bosch geschrapt werd. ‘Ik had liever een goed gesprek gehad, mijn werk gaat net over emoties en taboes.’

Eén man spande een kort geding aan, en dat was dan nog een beschaafde reactie. Anderen bedreigingden (‘We schieten jullie kop eraf’) en verwensten haar team. Neen, de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek zal haar bezoek aan het theaterfestival Karavaan in het Nederlandse Alkmaar niet licht vergeten. Eind mei zou haar collectief WArd/waRD er optreden met de dansperformance Q61 Cemetery. Een voorstelling als alle andere, ware het niet dat ze plaatsvindt… op een kerkhof. Door het protest van de lokale bevolking kon de politie de veiligheid van de crew niet langer garanderen en werden alle voorstellingen afgelast. Deze week werd bekendgemaakt dat ook de geplande opvoeringen van Q61 Cemetery op theaterfestival Boulevard in Den Bosch niet kunnen doorgaan. Reden: te weinig tijd om ‘artistieke eisen en publiek draagvlak’ te verzoenen. Ook in Antwerpen, waar vorig jaar wel een reeks voorstellingen van Q61 Cemetery kon plaatsvinden, was er eerst overleg nodig met de lokale bevolking.
‘Al vijftien jaar probeer ik met mijn werk te tonen hoe emoties en taboes zich in ons lichaam nestelen’, vertelt Van den Broek vanuit Berlijn. Q61 verwijst naar het nisnummer van haar overleden broer. ‘Q61 Cemetery gaat over de universele thema’s van leven, dood en vergankelijkheid. Door de voorstelling op een kerkhof te laten plaatsvinden, breng ik niet alleen het kerkhof zelf, maar ook de herinneringen aan de doden opnieuw tot leven. Het stuk is dus een liefdevol eerbetoon aan geliefden die er niet meer zijn.’ Van den Broek heeft het moeilijk om haar ontgoocheling te verbergen als ze over de afgelastingen spreekt. ‘Mijn voorstelling is confronterend, maar niet bewust choquerend’, zegt ze. ‘Ik begrijp de mensen die protesteren, maar een goed gesprek was beter geweest. Ik heb de indruk dat locatietheater de laatste jaren steeds meer onder druk staat. Maar ik geef het nog niet op. Volgende zomer proberen we het opnieuw.’

Geesten
Regisseurs smullen van het betekenisvolle karakter van begraafplaatsen en kerkhoven. De plekken beven van herinneringen, ademen vergeten verhalen. Die gelaagde symboliek van leven en dood zoeken podiumkunstenaars graag op. Theaterproductiehuis Musichall trok voor de voorstelling Flanders Fields, eindbestemming Poperinge naar de Britse militaire begraafplaats Lijssenthoek in West-Vlaanderen. Het theaterstuk gaat over een schrijver die er inspiratie zoekt en geesten van slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog tegenkomt.
‘Wij hebben er bewust voor gekozen om de voorstelling op een podium naast de begraafplaats op te voeren’, zegt Kristof Duran, hoofd marketing bij Musichall. ‘Op het einde van de voorstelling werd de achterwand van het podium geopend: dat leverde een prachtig panorama over de graven op. Maar spelen op of tussen de zerken, vonden we niet respectvol. Het Britse Commonwealth, dat de begraafplaatsen onderhoudt, en de gemeente Poperinge zouden daar trouwens ook niet akkoord mee gegaan zijn.’
Of het nu gaat om een monumentale begraafplaats of een kerkhof dat nog in gebruik is, kunstenaars die de locatie als decor willen gebruiken, zullen altijd op weerstand stuiten. Zo ook Hanneke Paauwe, die voor haar voorstelling In Memoriam (2006) een vader, moeder en tweelingzus opvoerde van een overleden meisje. De drie acteurs speelden hun monologen verspreid over een kerkhof. ‘Of we nu ergens in Duitsland speelden of in Brussel, er was vaak protest’, herinnert Paauwe zich. ‘Mensen dachten dat we zouden dansen op het graf van hun kind, of andere onbetamelijke dingen zouden doen. Maar na voorzichtig overleg konden we hen toch overtuigen om te komen, en dan kwamen de emoties los. Bij het drankje achteraf kregen we ingrijpende verhalen te horen’
Voor rouwspecialist Manu Keirse, die meerdere boeken schreef over verlies, zijn juist die verhalen belangrijk. ‘Ik begrijp de commotie rond de voorstelling van Ann Van den Broek’, zegt hij. ‘Het kerkhof ligt aan de rand van de samenleving. We komen er weinig, het is taboe. Maar sterven is een onlosmakelijk deel van het leven. Daarom moeten we aandacht besteden aan onze begraafplaatsen. Als dierbaren sterven, verhuizen ze eigenlijk niet naar een graf, maar verhuizen ze naar ons hart. Een voorstelling als die van Van den Broek kan de klagers zelfs helpen om dat te begrijpen.’
Of de protesten nu geïnspireerd zijn door een anti-elitair ongenoegen of een reële ongerustheid over grafschennis, ook hier zit de oplossing dus in de dialoog. Artiesten en kerkhofbezoekers kunnen kracht putten uit elkaars verhalen. Want niet het kerkhof begraaft de doden, dan doen we zelf.

De Standaard, 8 augustus 2015, Lennart Van Durme

Terug naar boven



Festival last voorstelling af
‘Ik schiet je kop eraf!’ Dat was één van de dreigementen die het gezelschap van choreografe Ann Van den Broek eind mei van woedende nabestaanden te verwerken kreeg vanwege haar dansvoorstelling Q61 Cemetery op de Algemene Begraafplaats in Alkmaar. Festival Karavaan zag zich genoodzaakt de voorstelling af te lasten. Nu trekt ook Theaterfestival Boulevard, dat morgen in Den Bosch begint, de kerkhofvoorstelling terug: er is te weinig tijd ‘artistieke eisen en publiek draagvlak’ bij elkaar te brengen. Choreografe Ann Van den Broek is teleurgesteld: ‘Ik wil met een integere voorstelling de dialoog aangaan over het taboe rond rouw, dood en herinneren. Nu blijft het vooroordeel bestaan dat ik ‘dans op andermans graf’. De vrijheid van meningsuiting komt in het gedrang.’

Waarom wilt u zo graag op een begraafplaats dansen?
‘Ik wil niet choqueren. Ik wil emoties rond rouw en herinneringen aan overledenen delen met mensen, juist met nabestaanden. De titel verwijst naar het grafnummer van de urn van mijn broer. Ik wil bespreekbaar maken dat we verdriet vaak wegstoppen en te weinig delen. De begraafplaats is meer dan decor. Het gaat om de serene sfeer, de herinneringen die daar manifest worden, het hemeldak. Ik wil dat mensen de opschriften op zerken lezen: 'Lieve papa, mooi kind, engel, enzovoort.’

Toch vinden sommige nabestaanden het 'dansen op andermans graf'.
‘We dansen niet op graven maar op paden en ik leg geen dode katten neer. Als iemand bezwaar heeft, ga ik graag in gesprek. Dan vermijden we bijvoorbeeld dat graf. In Antwerpen heeft de voorstelling 6 keer gespeeld op 3 begraafplaatsen. Daar hebben we alle gevoeligheden zo opgelost. We repeteren na sluitingstijd en tijdens try-outs laten we zien hoe integer en respectvol we omgaan met persoonlijke rouw. In Nederland beschouwen sommige mensen de hele begraafplaats als 'hun' terrein. Maar ze huren alleen dat ene graf. Nu zwichten politiek en maatschappij voor vrees en dreiging. Dat vind ik laf.’

Doorgaan, zelfs als er politiebescherming nodig is?
‘Liever dan een annulering had ik gedanst met een politiecordon. Dan gaat het gesprek over wat ik heb gemaakt en niet over vooroordelen. Nu is de dialoog op voorhand onmogelijk. Terwijl ik mensen iets emotioneels wil laten meemaken. Er was een weduwnaar die zei: ‘Mijn vrouw gaat zo gelukkig zijn.’ Let wel: stichtingen die kerkhoven beheren zijn enthousiast. Die willen begraafplaatsen juist ontsluiten voor een groter publiek.’

Wat zegt dit over de toonaangevende rol die Nederland speelt op het gebied van locatietheater?
‘Nederland is allang niet meer zo vooruitstrevend op dit gebied. Religie, dood en seksualiteit zijn taboes waar je steeds minder makkelijk aan mag komen. Mensen zeggen: doe het in een weiland met namaakzerken. Maar dat is nep, dat werkt niet. Ik had in de Sint Janskathedraal mogen dansen, maar dan krijg je een andere voorstelling, over religie en graftombes van geestelijken. Dit gaat over alledaagse rouw en verdriet, over jouw oom, haar vader, mijn broer.’

Reactie festival
Theaterfestival Boulevard, directeur Viktorien van Hulst: ‘Ik deel Anns teleurstelling. Haar voorstelling is goed en snijdt een belangrijk thema aan. Zij zoekt juist een begraafplaats op om iets aan de kaak te stellen. Q61 Cemetery past ook goed in de traditie van Begraafplaats Orthen om meer publieksactiviteiten te organiseren. Maar de realiteit is dat mensen er moeite mee blijken te hebben. We willen een situatie voorkomen waarin we op het laatst moeten annuleren; dan doe je alle investeringen teniet. We hebben meer tijd nodig voor publiek draagvlak. De voorstelling vereist constructieve, open gesprekken met alle betrokkenen. Dat kan na de onrust in Alkmaar niet meer blanco. Het oordeel van mensen is belast. In het publieke debat staan we op achterstand. Daarom wil ik proberen in 2016 de voorstelling wel te programmeren. Zodat we meer tijd en aandacht kunnen besteden aan de receptie ervan.’


de Volkskrant, 5 augustus 2015, Annette Embrechts

Terug naar boven



Het is allemaal één pot zwart geworden
Choreograaf Ann van den Broek richt na de rauwe passie in het gelauwerde The Red Piece de blik naar binnen in het spannende The Black Piece.

Zwart heeft voor velen een negatieve betekenis: dood, Satan, de duistere kanten van het bestaan. In The Black Piece belicht de Vlaamse dansmaakster Ann Van den Broek (1970) heel andere aspecten. Het zwart in The Black Piece wil ook geruststellend zijn, omhullend, veilig en intiem. "In de oudheid was zwart de kleur van vruchtbaarheid, van zwarte aarde, als het net heeft geregend. In de middeleeuwen stond zwart voor de pest en voor alles wat besmettelijk en slecht is. Onder het protestantisme werd zwart de kleur van de soberheid. Nu is zwart, bijna op het clichématige af, de kleur van de mode."

Van den Broek liet zich inspireren door het boek Noir: histoire d'une couleur van historicus Michel Pastoureau. "Het is boeiend hoe anders zo'n kleur vroeger werd beleefd. In het oud-Grieks had je aparte woorden voor blauw-zwart of groen-zwart. Op een gegeven moment is dat allemaal één pot zwart geworden."

Klakkeloos meegaan in de ideeën van anderen zit niet in haar karakter. "Ik hou niet van vooroordelen, dat ergens een etiket wordt opgeplakt: niet bij mensen, niet bij gedachtegoed, bij niks eigenlijk. En de kleur zwart heeft mij sowieso altijd aangetrokken."
"Mijn fascinatie voor zwart is ook een fascinatie voor het duistere, het ondergrondse, de zaken die tot taboe worden verklaard. Ieder mens heeft meerdere kanten in zich, ook een donkere. Die donkere kant wegstoppen mag niet, dan verdring je iets."

Na The Red Piece is The Black Piece Van den Broeks tweede stuk dat is opgehangen aan een kleur. "Maar ik heb dat vroeger ook al gedaan. Co(te)lette kon je evengoed The Pink Piece noemen. Dat was helemaal roze, ging over vrouwen en lust. Mijn voorstelling I SOLO MENT ging over fotografie en was in het zwart-wit."

Van den Broek (vroeger danseres bij Krisztina de Châtel) ziet een duidelijke ontwikkeling sinds ze in 2000 gezelschap WArd/waRD oprichtte. "Ik ben jarenlang bezig geweest een bewegingstaal te maken van emoties en menselijke gedragspatronen. Ik weet waar angst in het lichaam zit, welke ritmiek er bij emoties hoort, en welke kleuren. Ik zie The Red Piece en The Black Piece als overkoepelende stukken, waarin alles van de vorige jaren is gebundeld."

Van den Broeks bewegingsidioom kenmerkt zich door dynamische contrasten: lichamen krimpen ineen, direct daarna slingeren alle ledematen de ruimte in. En dat in koortsachtig repeterende patronen. De choreografe erkent dat haar dansers tegen een stootje moeten kunnen. "Ze weten dat mijn bewegingsstijl alleen tot zijn recht komt als je er op volle energie ingaat. Mentaal vergt dat ook veel. Ze dansen op moeilijke ritmes, maken die ritmes vaak zelf. Daarin moeten ze allerlei emotionele toestanden verwerken. Zelfs de oogbewegingen zijn gechoreografeerd. Het zijn veel verschillende elementen. Dat vergt concentratie en doorzettingsvermogen."

De drive die Ann van den Broek van haar dansers eist, brengt ze zelf ook mee op het toneel. In The Red Piece zweepte ze haar dansers op door steeds harder de ritmes mee te tellen. In The Black Piece bepaalt ze - met cameraman en lichtontwerper Bernie van Velzen - wat het publiek te zien krijgt: met een zaklantaarn belicht ze de dansers in haar deels in het pikkedonker spelende voorstelling.
"Ik zet mijzelf ertussen, zonder de choreograaf te zijn die meedanst tussen de dansers. Ik wil eigenlijk een beetje mijn eigen werk doorkruisen. Vanaf de zijlijn toekijken naar mijn eigen voorstellingen, dat heb ik gehad."

Het Parool, 22 september 2014, Fritz de Jong

Terug naar boven



Danswoede
De Vlaamse Ann Van den Broek staat bekend om haar heftige choreografieën. Zelf vindt ze die vooral eerlijk, niet somber. Haar nieuwste stuk, het 'zwarte', begint vandaag in Nederland zijn tournee.

'Toen ik aan The Black Piece begon, zeiden sommigen: 'Mijn god, nog zwarter dan voorheen?!' Nee, juist niet! Natuurlijk, een zwart gat is een zwart gat. Negatief, destructief, angstwekkend. Hier gaat het ook over het mooie van zwart. De donkerte van de nacht, die rust geeft. Iedereen slaapt, er komt geen informatie meer binnen, eindelijk ruimte voor gedachten. Zwart is ook heel intiem en vol fantasie; er komt inspiratie uit voort. In mythologieën was de kleur zwart dikwijls een positieve kleur. Zwarte wolken brengen regen, regen brengt vruchtbare aarde.'

De Vlaamse choreograaf Ann Van den Broek (43) kan zich de reacties op de titel van haar nieuwe stuk, vanavond in Nederland in première, voorstellen. Ze staat nu eenmaal bekend als iemand die 'heftige' stukken maakt, met in de hoofdrol 'de getroebleerde mens'. Ofwel: zijzelf, want altijd zijn haar eigen emoties drijfveer voor een stuk. In Van den Broeks oeuvre gaat het bijvoorbeeld over gevoelens van stress en chaos die het leven in onze prestatiemaatschappij met zich meebrengt.

In E19 (richting San José) raasden dansers, als gedreven door vele impulsen tegelijk, kriskras over het podium. Of, zoals de wulps draaiende maar ook extatisch schokkende lichamen in Co(te)lette toonden, over het taboe op vrouwelijke lustverlangens. In I SOLO MENT (en later We Solo Men) probeerde ze de eenzaamheid en het verdriet te vangen die ze voelde over haar toen net overleden broer, haar held, die zich steeds meer van iedereen had afgezonderd, ook van haar. In dit intieme duet voor man en vrouw blijft er altijd afstand, danst zij om hem heen of hooguit korte tijd met hem mee.

Bij haar dus geen dansjes van plezier. Niet dat ze nou zo'n somber persoon is, maar 'verhullende poëzie, keurig glimlachen, diplomatiek zijn, daar kan ik niet tegen, zo ben ik niet opgevoed'. 'Het is ongeloofwaardig. Zelfs een lief karakter heeft een donkere kant.' Van den Broeks 'donkere' kant heeft vooral met grenzeloosheid te maken. 'Ik ga graag tot het uiterste. Ik ben confronterend, wil contact hebben. Obsessioneel ook, veeleisend. Wil altijd meer, verder, beter. Alles geven, dat deed ik als danseres al. Tweehonderd procent, niet zeventig. Deze gedrevenheid, deze behoefte aan groei, levert veel op, maar is ook heel onrustig. In mij zit een hunkering die blijft duren, nooit weggaat.'

Voor wie inmiddels denkt dat de Vlaamse op het podium emotioneel een ongeleid projectiel is: niets is minder waar. Ze beteugelt de emoties in een stuk, altijd, door de dans in een strakke vorm te gieten met veel repetitieve bewegingen. Dit mathematische is 'iets maniakaals' in haarzelf, maar ook een erfenis van haar artistieke 'moeder', de minimalistische choreograaf Krisztina de Châtel, bij wie ze als 21-jarige ('de jongste in de groep') kwam dansen. Van den Broek neemt vaak herkenbare handelingen of gebaren als vertrekpunt en abstraheert die vervolgens door ze te verknippen, om te draaien, steeds te herhalen et cetera. Als de drie vrouwen in het bekroonde en verfilmde Co(te)lette hun billen wulps heen en weer draaien als kwispelende honden, is dat het enige wat op dat moment gebeurt, langdurig. Het beeld krijgt iets vervreemdends, terwijl tegelijk de essentie, seksueel verlangen, direct overkomt. 'Extase, agressie, verdriet, ik wil alles laten voelen en zien, maar elke emotie moet gelimiteerd worden in een vorm. Anders is het emotionele masturbatie van de performer, geen kunst.'

Na een danscarrière van tien jaar, hoofdzakelijk in Nederland en Wallonië, werkt Van den Broek nu bijna vijftien jaar met haar eigen gezelschap WArd/waRD. The Black Piece ziet ze als het eindpunt van een overgangsfase, in tweeluik met het hiervoor gemaakte The Red Piece. 'Ik had het gevoel tegen een muur aan te lopen. Jaren heb ik nodig gehad om al die losse emoties te onderzoeken. Hoe die zich in het lichaam vestigen, welke ritmiek ze meebrengen.' Wat ook meespeelde, was een gevoel van verlies. Dansers met wie Van den Broek jaren had gewerkt, vlogen uit om zelf te choreograferen. 'Ik hecht me sterk aan mensen, loslaten vind ik niet makkelijk. Bovendien moest ik mijn ziel en zaligheid opeens delen met jongere mensen met een andere levenservaring. Het idee vond ik gekmakend. De harde conclusie: hoeveel je ook investeert, uiteindelijk word je telkens weer op jezelf teruggeworpen. The Red Piece ging over passie, gevaar, doorgaan, in The Black Piece is alles afgebroken, wat ruimte maakt voor iets nieuws. Er ontstaat een tabula rasa.'

The Back Piece verschilt behoorlijk van Van den Broeks eerdere stukken. Het opvallendste is inderdaad het zwart. Waar haar sterke toneelbeelden altijd glashelder, pats-boem, van het podium spatten - veelal in één kleurstelling, van vleselijk roze en giftig groen tot ijsblauw en bloedrood, vaak met hippe Vlaamse mode en hoge hakken - is het plaatje nu veel diffuser, komt de dans in flarden tot je. De voorstelling speelt zich af in het donker, we zien alleen wat de cameraman filmt en de choreograaf met haar zaklantaarn belicht. 'Emoties zijn er nog steeds, maar nu breek ik erbij in: ik combineer ze meer met elkaar of met elementen van buiten, zoals zo'n cameraman. Het mag allemaal wat ongrijpbaarder zijn.'

Ook in The Red Piece was ze nadrukkelijk tussen de dansers aanwezig in de rol van choreograaf. Daar bevrijdde zij hen van Japanse bondagetouwen en gaf het ritme aan door zittend met haar hakken op de grond te tikken, als een aan haar stoel gekluisterde flamencodanseres. 'Ik wilde het creëren een plek geven op het toneel. Inclusief het obsessieve en de twijfel die daar bijhoren. Ook had ik de behoefte tussen al die nieuwe mensen in mijn groep te staan en wilde mijn hersens weer trainen in het performen.'

Kondigt dit een comeback als danseres aan? 'Er ligt een plan voor een estafette van solo's, autobiografische verhalen van dansers, en die begin ik. Maar belangrijk is dat ik voortaan meer ga handelen vanuit mijn behoefte - waar heb ik zin in? - en minder uit loyaliteit. Niet weer iets maken voor zes man omdat ik iedereen aan het werk wil houden bijvoorbeeld.'

de Volkskrant, 19 september 2014, Mirjam van der Linden

Terug naar boven



Flashes zwarte fantasie
De Vlaamse choreografe Ann Van den Broek staat bekend om haar gepassioneerde, heftige creaties waarin ze de menselijke emoties een voor een onder de loep neemt. „Al het aardse heb ik inmiddels wel behandeld”, zegt ze lachend. „Nu wilde ik een keer alle ruimte aan de fantasie geven.” Dat maakt The Black Piece echter niet minder intens. In volstrekte duisternis zet Van den Broek haar publiek regelmatig op het verkeerde been.

The Black Piece is de opvolger van The Red Piece, de alom bejubelde productie waarin Ann Van den Broek inzoomde op wat zij de ‘basisdrive’ van alle menselijke emoties noemt: passie. Maar wie denkt dat ze zich na de positieve kracht van rood – de kleur staat voor haar ook voor actie en daadkracht – nu in somber, zwaarmoedig zwart heeft ondergedompeld, heeft het mis. „Toen ik het idee voor The Black Piece bekendmaakte, reageerden sommige mensen met ‘o my god, dat zal toch niet een donkere, destructieve voorstelling worden’. Maar zwart is nooit alleen negatief. Het is een kleur die mij al jaren fascineert. Met zwart kun je je, zoals ik in mijn tienertijd deed, onderscheiden, en het is ook een kleur die rust brengt. Pas ’s avonds in volstrekte duisternis kan ik mijn gedachten ordenen.”

Sensueel
En dan heb je, zegt Van den Broek (43), ook nog het verleidelijke zwart, het sexy en erotische zwart. „Dat ben ik zeker niet uit de weggegaan. Er zit veel sensualiteit in de voorstelling, sexy dansers, sexy klanken, sexy muziek. En natuurlijk heb ik bij het creëren aan een darkroom gedacht, maar ik probeer altijd de clichés te vermijden. Ik laat geen twee mensen samen in een hoekje seks hebben.”

In Van den Broeks nieuweling speelt de camera een hoofdrol, nadat ze er in 2011 al een keer mee experimenteerde. „Toen stond de cameraman buiten de zaal. Dansers verlieten het toneel, gingen in een andere ruimte uit hun dak en dat werd op film vastgelegd.” In The Black Piece bevindt de cameraman zich continu op het toneel of in de zaal. Hij zit de dansers met zijn camera doorlopend dicht op de huid, brengt details van hun handelingen, lichaamsdelen, kledingstukken en gevoelens in beeld, welke op een projectiescherm al dan niet versterkt, vergroot of vervormd worden. „Door deze closeups verplicht je mensen om een bepaalde richting op te kijken. En daardoor heb je de mogelijkheid een andere, fantasievolle wereld te creëren.” Het gooit haar werk 180 graden om, vindt ze. „Normaal wordt de lijn in mijn choreografieën gevormd door bewegingen en de overgangen daartussen. Nu zijn het de camera en het licht (vaak van een zaklampje, red.) die de dramatische kracht bepalen. En dat gebeurt op een heel fragmentarische manier, alsof het om flashes van fantasie gaat.”

Onzekerheid
Ze was er, zegt de Vlaamse, klaar voor om een keer een voorstelling te maken die zich grotendeels in het duister afspeelt. „Het mooie daarvan is dat de scheidslijn tussen toneel en zaal verdwijnt, als de uitgangsbordjes en trapverlichting van de Nederlandse brandweer tenminste net als in België uit mogen. Dat je meer of minder gedesoriënteerd raakt. Soms niet precies weet waar iets plaatsheeft, of waar een geluid vandaan komt.”
Ook voor de uitvoerenden was dat flink wennen, hoewel de dansers van haar VlaamsNederlandse gezelschap WArd/waRD echt wel gewend zijn om over grenzen heen te gaan. „Dansers zijn control freaks. In The Black Piece moeten ze hun onzekerheid onder ogen zien, bewegen terwijl ze soms geen hand voor ogen zien, zich volledig overgeven.”

De Telegraaf, 19 september 2014, Astrid van Leeuwen

Terug naar boven



De kunst om goed te sterven
Dansen op het kerkhof? Moet kunnen, vindt choreografe Ann Van den Broek, die met een voorstelling langs Antwerpse begraafplaatsen reist. Het motief van de dodendans is eeuwenoud, en nog altijd actueel.

Piepend zwaait de poort van de Wilrijkse begraafplaats Steytelinck open. Met hortende bewegingen dansen vijf schimmen in smetteloos witte kostuums zich een weg tussen de grafzerken. Dwangmatig herhalen ze hun dans van het trauma, tot een gevoel van berusting over hen neervalt. Met Q61 Cemetery neemt Ann Van den Broek na het overlijden van haar broer (de titel verwijst naar zijn nisnummer) verlies en rouw onder de loep. ‘In de westerse cultuur is de dood een taboe geworden’, zegt de choreografe. ‘Dat is jammer, want een kerkhof is een monument waar zoveel herinneringen opgeslagen liggen. Het zou mooi zijn als men een kerkhof meer gaat gebruiken als een park, net zoals er in Mexico op Allerzielen wordt gefeest. Hier hebben mensen snel angst om oneerbiedig te zijn, maar wij proberen het gemis net te accepteren als deel van het leven.’ Op de achtergrond klinkt Nick Caves ‘It’s a wonderful life’.

Grijnzende lijken
Klinkt respectloos, dansen op een begraafplaats? Het is nochtans iets wat de mens al eeuwenlang doet. In de primitiefste beschavingen werd dans al als magisch ritueel ingezet om de dood te bezweren. In de late middeleeuwen, toen de pestepidemie Europa in de ban hield, werd er zelfs een genre voor ontwikkeld: de satirische danse macabre, waarin de dood in de gedaante van een skelet mensen van alle rang en stand in een vrolijke reidans mee naar het graf voert. Het maakte deel uit van een cultuur die sterk bezig was met de ars moriendi, de kunst van het vredevol sterven. Stichtelijke boetepreken verschenen vooral als muurschildering op kerkhoven en houtsneden, maar ze werden ook effectief gedanst in processies. Grijnzende lijken met open buikholtes, rondspringende geraamtes die op een doedelzak spelen, half vergane schedels met een plukje haar op: de dodendansen koppelden moraal aan troost. Het devies luidde dat jong of oud, rijk of arm in het aanschijn van de dood gelijk was. Een les in nederigheid. Beïnvloed door de psychoanalyse die het onderbewuste ontdekte en een mystieke gevoeligheid in nasleep van de Eerste Wereldoorlog werd de dodendans weer opgepikt in het expressionisme. In ‘Totenmal’ (1929) ging de choreografe Mary Wigman een intens duet met de dood aan. En in 1932 creëerde ook Kurt Jooss, de leermeester van Pina Bausch, een iconische dodendans, ‘De groene tafel’.

Schoonheid in pijn
Vandaag lijkt onze omgang met de dood een stuk klinischer, denk aan tentoonstellingen zoals Körperwelten, reality-tv over pathologen die in koud vlees snijden en wetenschappers die het leven zo lang mogelijk proberen te rekken. Wie langer dan zes maanden rouwt, lijdt tegenwoordig aan een prolonged grief disorder. Maar ondanks alle kennis, blijft het mysterie van het stervensuur de mens bezighouden. En ontglippen. Maar dat hoeft niet erg te zijn. Van den Broek: ‘Het is de aard van de mens om vooral blije dingen op te zoeken, maar je kan ook schoonheid vinden in de pijn. We zijn een vat vol tegenstrijdige krachten, vol liefde, lust, agressie, verdriet, gemis en angst. In mijn werk wil ik die liefdevol omarmen. Hoe groter het besef dat we die gevoelens delen, hoe kleiner onze eenzaamheid.’
Charlotte De Somviele, De Standaard, 25 augustus 2014

Terug naar boven



De vertaalslag van innerlijke drijfveren
Al in 1995 maakte Ann Van den Broek haar eerste solo. Met minimaal een voorstelling per jaar sinds 2001 heeft zij met haar helder leesbare danstaal en uitgesproken esthetiek inmiddels een stevige positie in de danswereld veroverd. In haar werk toont zij sterke emoties, maar uiteindelijk is het de ratio die regeert.

Vanaf het prille begin zoekt Ann Van den Broek haar onderwerpen dicht bij zichzelf. In Skótoseme (1995), de eerste solo die zij maakte tijdens haar danscarrière, ging zij op zoek naar de essentie van haar danskunstenaarschap. Wat speelt zich in haar af, alleen op het podium?
Zes jaar later gaat zij als zelfstandig choreografe verder en volgen de solo’s Hurry up please, ... it’s time (2001) en Annexe (2001). In Hurry up please, ... it’s time schetst zij een onrustig denken bewegingspatroon en het onvermogen om te berusten in een toestand. In Annexe verweeft zij vier vrouwelijke solo’s en karakters uit een eerdere voorstelling in een poging haar persoonlijkheid te omkaderen.....

» download hier het complete artikel

Terug naar boven



Twee felle dansmakers
Het was ‘even belangrijk’, het conflict bij aanvang van de repetities van Domestica. Ann Van den Broek (41) zegt het bijna nochalant. Er moest duidelijkheid geschapen worden in die gevoelige beginfase, vin ook co-choreografe Krisztina de Châtel (69). Het gemak waarmee zij over hun knallende ruzie spreken is tekenend voor de verhouding: niet alleen hebben zij een meester-leerlingrelatie, maar ook een moeder-dochterband. In veel opzichten lijken ze op elkaar. Logisch dat het wel eens knettert. Maar het familiegevoel blijft.

De klik tussen de Hongaars-Nederlandse De Châtel en de Vlaamse Van den Broek was er vrijwel direct. Ze zagen elkaar voor het eerst tijdens de workshops die De Châtel met een paar van haar toenmalige dansers gaf op de Rotterdamse Dansacademie. Van den Broek zat toen net in haar afstudeerfase. 'Oerm Matern en Dries van der Post leidden de workshop, we deden delen uit Change', herinnert Van den Broek zich. 'Ik was een bewegingsbeest, wilde altijd de ruimte in, dus het was voor mij moeilijk om gefocust te blijven op de lijnen. Maar die strenge structuur, de complexe tellingen - het trok me, dat voelde ik dadelijk. En toen Krisztina de studio binnenkwam, stond daar een imposante, gekke vrouw.' Natuurlijk vond en vindt ze meer kunstenaars interessant, maar de ervaring van Van den Broek is dat je maar bij een paar ook door de mens, de persoonlijkheid wordt aangetrokken. 'Ik wilde in die wereld van Krisztina mee, die klopte gewoon bij mij. Ook al waren de tellingen nooit op de manier die ik zou doen', grinnikt ze naar De Châtel.
Nu, veertien jaar nadat Van den Broek Dansgroep Krisztina de Châtel verliet, hebben ze vaak lol om hun verschillen van inzicht en botsingen. De Châtel herinnert zich de auditie van haar toenmalige pupil: 'Je kwam te laat!' Hartelijk gelach. 'Op dat moment had ik sterke jongens in de groep, terwijl er net een paar sterke vrouwen weggingen. Dus die had ik nodig. Ann was nog wel jong, twintig, maar ik dacht, het moet maar. Je gaat op je intuïtie af. Op een auditie kijkje naar wat iemand uitstraalt, niet of alles technisch precies klopt.' Het feit dat haar aspirant-werknemer om logistiek-financiële redenen (heen en weer reizen tussen Antwerpen, waar ze bij haar ouders woonde, en Amsterdam was geen optie) geen genoegen nam met een stagecontract, maar meteen om een gewoon contract vroeg, beviel De Châtel eigenlijk ook wel. 'En je vond mijn kont mooi', grijnst Van den Broek. De Châtel: 'Ja, ja ja!'

KRACHTMETINGEN EN UITPUTTINGSSLAGEN
De eerste maanden in de groep waren ideaal om het repertoire van De Châtel onder de knie te krijgen. Er stonden reprises op het programma en de ervaren dansers in de groep namen de jonge Van den Broek onder hun vleugels. 'Zij riepen steeds: Nee, Ann, niet zo! Nee Ann, nu je mond houden! Ik niet hoor', vertelt De Châtel. Al snel begon zij solo's te maken voor de stoere nieuwkomer. 'Dat doe ik niet voor iedereen. Persoonlijkheid is heel belangrijk, het moet op de een of andere manier klikken, wederzijdse waardering. Eerlijkheid en openheid, dat is denk ik het bijzondere aan Ann. Je weet precies wat je aan haar hebt, ze is heel direct. Daardoor zijn destijds ook wel eens ruzies ontstaan over muzikale dingen, omdat jij als jong ding gewoon tegen Gilles [den Hartog, voormalig danser bij De Châtel] zei dat het anders zat, terwijl Gilles heel muzikaal was.' 'Ja, en ik gelóóf', grinnikt Van den Broek pesterig, 'dat ik gelijk had.'
Gevraagd naar wat zij van haar leermeesteres heeft opgepikt, vult De Châtel vlot voor Van den Broek in: 'Ik ben streng, jij ook.' 'Eens', bevestigt haar leerling. 'En het belang van gelijkwaardigheid. Er was ruimte en respect voor iedere persoonlijkheid in de groep. Dat heb ik heel goed in me opgenomen: dat is heilig. Het is zo knap hoe zij dat doet, met die grillige, gekke manier van met mensen omgaan.' De Châtel: 'Het is heel dubbel: ik ben de baas, maar uiteindelijk is het een groepsding. Je moet laten voelen dat het zonder de dansers niet kan. Het is wat ik wil, absoluut, maar dansers kunnen een inbreng hebben, je maakt het samen.' Van den Broek: 'Zo probeer ik ook te werken.'
'Jij wilt ook het maximale uit mensen halen', bedenkt De Châtel, nog eens nadenkend over overeenkomsten. Zelf is zij bekend geworden met choreografieën als krachtmetingen en uitputtingsslagen, tegen windturbines, tegen een aarden wal, tegen een gevangenis van plexiglas of een ander obstakel. 'Zoiets dwingt dansers op elkaar te letten, iedereen moet steeds met de ander bezig zijn, niet alleen met zichzelf.' Van wie ze het zelf heeft? In elk geval heeft ze het nodige opgestoken van de anti-autoritaire benadering van Koert Stuyf, bij wie De Châtel rond 1970 danste ('Ik was achtergrond hoor, een soort meubelstuk.') en die zij als haar grote meester beschouwt. 'Hij vertelde ons niet precies watje moest doen, dat moest je zelf maar uitzoeken. Ging hij de duiven voeren. Dat is heel leerzaam. Die vrijheid' en staan voor watje doet, dat heb ik van hem geleerd.'

AFKIJKEN
Zelf oplossingen vinden, daar weet Van den Broek alles van. Niet gezegend met een volledige uitdraai zocht ze op de opleiding al naar 'trucs', omdat de geijkte correcties voor haar niet werkten. Die niet-ideale lichaamsbouw, denkt zij, is misschien ook wel een punt van herkenning geweest. 'Ik vond het geweldig dat Krisztina ook vrijwel geen uitdraai had. Het gevolg van zoiets is datje heel goed naar anderen leert kijken: waarom kan die dat wel en die niet en wat kan ik 'afkijken'. Analyseren en ontleden heb ik vanaf het begin gedaan. Daar pluk ik nu de vruchten van, want andere mensen in mijn stijl te krijgen, vergt analyse, energie. Je moetje hart openstellen, datzelfde aan hen vragen.'
Dat laatste is een stevige investering, weten beide dames. Van den Broek bouwt nu twaalf jaar aan haar eigen carrière als choreografe. Haar eerste probeersels presenteerde zij in Amai!, het workshopprogramma van Dansgroep Krisztina de Châtel. Als artistiek leidster liet De Châtel haar dansers volledig de vrije hand. Ze kwam nooit in de studio kijken, laat staan dat ze ongevraagd kritiek leverde. Toch voelde Van den Broek dat het nodig was weg te gaan, wilde zij zich als choreografe ontwikkelen. De Châtel: 'Ik herinner me nog datje het kwam vertellen. Heel voorzichtig, omdat jij ook wel wist dat ikje als mijn dochter zag. Ik vond het heel erg. Het is ook erg als je iemand verliest die heel bijzonder is, die je ziet opgroeien en zich ontwikkelen. Maar ja, dat is nou eenmaal zo.' Er lagen geen zware conflicten ten grondslag aan haar beslissing weg te gaan, zegt Van den Broek. Tegen het einde was er een grote ruzie rond een gastchoreograaf, daarvoor botsten zij ook wel eens, 'maar niet extreem. Het was voor mij destijds niet ondenkbaar dat ik zou blijven, maar ik had een adempauze nodig. Wilde ik mijn eigen creativiteit ontdekken, dan moest ik loskomen van Krisztina. Anders was ik een kopie geworden. Frédéric Flamand, bij wie ik ging werken, liet alles vanuit improvisatie ontstaan, hij zette zelf geen stap. Een uitstekende manier om in mijn eigen stijl te duiken. Maar ik ben dus niet weggegaan om de moeder-dochterrelatie te verbreken en heb altijd het idee gehad dat we wel weer eens iets samen zouden doen.'

AFSTAND NEMEN
Van een afstandje zag De Châtel hoe haar 'dochter' zich ontwikkelde en succes kreeg. Met Co(te)lette, We Solo Men, Q61. Ze herkent wel elementen uit haar eigen stijl. 'Een zekere felheid in beweging. Het grote verschil is natuurlijk dat ik alles naar binnen druk, mijn stukken gaan over de spanning voor je ontploft, en bij haar zie je een extrovertere houding: hier ben ik! Ik geef de emotie nooit weg. Niet dat Ann dat doet, maar ze is extremer. Psychologischer en theatraler:' Van den Broek ziet nog meer overeenkomsten, zij het met een persoonlijke twist: 'De simpelheid. En natuurlijk de repetitiviteit, maar ik vertrek vanuit de emotie. De emotie dient elke beweging.' De Châtel: 'Bij mij gaat het primair over structuur en ruimtelijkheid.'
Kritiek leveren op elkaars werk doen ze weinig. De Châtel heeft Van den Broek wel ooit het advies gegeven niet meer zelf mee te dansen, en dat was terecht, aldus Van den Broek: 'Ik wist niet meer wat links of rechts was. Na de première had ik een slecht gevoel en een slechte recensie gaf me het gevoel dat ik maar beter kon ophouden. Krisztina zei, heel voorzichtig: je moet misschien wat afstand nemen.'
'Het is als voormalig moeder niet makkelijk te zien waar je kind allemaal doorheen moet, dat leerproces. Maar zo gaat het nu eenmaal: weet De Châtel uit eigen ervaring. 'Zelf vind ik het niet zo zinvol kritiek op het werk van Ann te geven. Als iemand anders denkt dan jij over structuur en ruimtelijkheid, dan moetje het zo laten. Ik ben een heel ordelijk type, strak, zij trekt het meer uit elkaar. Zij is eigentijdser, van een andere generatie. Punt.'

DE IDEALE OPVOLGSTER
In het werkproces van Domestica hebben ze, na die ruzie van de eerste dagen, besloten om ieder apart te werken en niet, zoals oorspronkelijk gepland, in een soort estafette reagerend op elkaars bijdragen. Wel heeft Van den Broek een bewegingssequentie uit Concave, de choreografie van De Châtel die als vertrekpunt diende voor Domestica en waarin Van den Broek zelf heeft gedanst, naar haar eigen stijl getransformeerd. Met de nodige voorzichtigheid hebben ze hier en daar wel wat op- en aanmerkingen gemaakt. 'Je gaat natuurlijk niet met de bezem door de porseleinkast', stelt Van den Broek. 'Je weet allebei hoe kwetsbaar je je als kunstenaar voelt, dus je bent voorzichtig.' In de eindfase, waarin bruggen tussen de blokken choreografie gebouwd moesten worden, was de samenwerking goed. 'En dan leer ik weer van Ann', erkent De Châtel. 'Zij sms'te bijvoorbeeld dat het beter zou zijn als die jongen het licht op het eind uitdoet. Een kleinigheid, maar wel belangrijk.'
Van rivaliteit wil geen van beiden weten. Onzin, vindt De Châtel, die de pensioengerechtigde leeftijd is gepasseerd. 'Ik ga door met mijn brandweermannen en zo, en geef jonge mensen kansen met mijn stichting. Dat is een heel ander gevoel dan wanneer je nog iets moet opbouwen.' Van den Broek: 'Jij moet je gewoon weer concentreren op wat jij wilt doen, zonder bezig te zijn met andere shit.' 'Zie je, zij kent mij. Ze vertelt geen bullshit. Ze weet ook hoe de danswereld in elkaar zit. Daardoor heb ik de laatste, moeilijke jaren met Dansgroep Anmsterdam veel aan haar gehad. Zij kijkt objectief, maar met genegenheid.' De ideale erfgenaam annex opvolgster dus. Maar die vraag kwam te vroeg voor Van den Broek en dus moest De Châtel op zoek naar een ander om samen met haar Dansgroep Amsterdam te leiden, de groep die is voortgekomen uit Dansgroep Krisztina de Châtel. Tweede keus Itzik Galili bleek helaas een koekoeksjong en de rest is geschiedenis. Met Domestica hebben moeder De Châtel en dochter Van den Broek daar een stukje van hun 'familiegeschiedenis' aan toegevoegd.

Dans Magazine, september 2012, Francine van der Wiel

Terug naar boven



Marcus Azzini en Ann Van den Broek samen in de tunnel
Sinds september werken theatermaker Marcus Azzini en choreografe Ann Van den Broek samen aan de voorstelling LIstEn & See (LIES). Met zijn fysieke benadering van theatermaken creëert Azzini net zo lief een voorstelling op basis van improvisaties als dat hij Hamlet onder handen neemt. De choreografieën van Van den Broek kregen in de loop der jaren een steeds theatraler karakter. In LIstEn & See (LIES) ontleden zij tekst en beweging om tot de kern van een theatertaal te komen.

Hoe hebben jullie elkaar gevonden?
Marcus Azzini (MA): ‘Mijn fascinatie voor het lichaam zorgde ervoor dat ik al heel lang verdieping op dat vlak wilde zoeken. De droom was om iemand te vinden voor wie ik bewondering heb en daarmee te coregisseren. Ik kende het werk van Ann en heb gevraagd of ze daarover met me wilde praten. Tijdens ons eerste gesprek in Antwerpen bleek dat er een klik tussen ons was maar dat we tegelijkertijd heel veel angsten hadden. Maar de bereidheid om erover te praten was er. Het voorstellingsconcept hebben we vanaf nul samen bedacht. Ik heb alleen het initiatief genomen om te bellen.’
Ann Van den Broek (AB): ‘Ik wil nu echt de uitdaging aangaan om meer met tekst te werken. Het liefst met iemand die daar veel vanaf weet, zijn visie kan geven, mee kan brainstormen en die ik tot mij toe kan laten. Daarom is het belangrijk voor mij om deze samenwerking aan te gaan als een soort volgende stap in mijn artistieke evolutie, al wil dat niet zeggen dat ik de rest van mijn leven met tekst blijf werken. Ik heb het werk van Marcus op DVD gezien en verbaasde mij erover dat iemand zo’n fysieke benadering heeft zonder choreograaf te zijn. Ook zitten er heftige en donkere elementen in, net als in mijn voorstellingen. De enige angst was om samen iets te maken. Tijdens een creatie zit je in een tunnel en niemand mag je daar uithalen. Daarover hebben we op voorhand al veel gepraat en ruzies gemaakt. Dat was allemaal hypothetisch, maar nu gaat het eigenlijk heel goed.’
MA: ‘Op het moment dat we een ruzie op het spoor waren, zijn we er dagelijks mee bezig geweest om een taal proberen te vinden waarmee we elkaar begrijpen. Vaak zaten we al uren te praten en dan bleek dat we eigenlijk hetzelfde zeiden.’
AB: ‘Omdat we een andere manier van communiceren hebben over de inhoud van dingen, doe ik het nu met mijn lichaam en dan begrijpt Marcus het.’
MA: ‘Nu gaat het zo snel dat niemand om ons heen ons nog begrijpt behalve wij zelf. We zitten samen in de tunnel.’

Ann, wat betekent tekst in jouw dansvoorstellingen?
AB: ‘De tekstfragmenten die ik in de voorstellingen E19 (richting San José) en FF+Rew gebruikte, gaven mij een verdieping van het concept en de emotionele toestand van de danser, een extra laag. Danseres Lie Antonissen vertelt in E19 wat ze tegenkomt als ze het vliegtuig moet halen - roltrap, naaldhakken, spleten ertussen. Ik wilde die beschrijving van waaraan je denkt om ergens te kunnen geraken, alles wat dan door je hoofd speelt omdat je dat niet kunt doen met je lichaam. Het is eigelijk een verrijking van wat er fysiek gaande is, heel minimaal ingezet. Ik deed dat op mijn eigen manier, maar heb altijd problemen met tekst gehad, want je wilt ervoor oppassen dat het in combinatie met beweging niet te illustratief wordt. Dat is echt uitdagend om nu te onderzoeken. En voor de rest heb ik een haat liefde verhouding met taal.’

Waarom?
AB: ‘Omdat ik dikwijls niet geloof wat er wordt gezegd. Daar gaat onze voorstelling LIstEn & See (LIES) ook over. Ik kijk liever naar wat iemand met zijn lichaam vertelt dan dat ik luister naar wat er wordt gezegd. Praten wordt soms overschat.’
MA: ‘Ik merk tijdens de repetities dat ik taal ook niet de hele tijd nodig heb. Waarom praten de spelers? Laat ze gewoon maar even bewegen. Ik hoop dat we zo op de kern van het gebruik van taal komen. Dat de spelers praten en we er ook achter komen waarom ze praten. Wordt taal gebruikt om iets te zeggen wat van belang is of om jezelf achter te verschuilen? Ik heb tegen Ann gezegd dat ik het gevoel heb als ik naar haar voorstellingen kijk, dat de dansers de hele tijd op het punt staan om toch uiteindelijk iets te gaan zeggen. Maar ze doen het niet.’
AB: ‘Dat komt omdat ik de voorstelling maak met die intentie. Oorspronkelijk werd Co(te)lette met woorden gemaakt, maar de taal is weggenomen. Er zijn alleen kreten of een stuk van een woord overgebleven.’
MA: ‘Taal is echt denken. De dansers van Ann denken, daarom hoor je ze praten in je hoofd. Ze geven volume aan ons denken.’
AB: ‘Bij mij zie je het denkproces in de bewegingen. Het naar voren gaan of terugtrekken. Dat is mijn stijl. Daarom heb je waarschijnlijk het gevoel dat ze praten.’
MA: ‘De voorstelling Co(te)lette geeft enorme herrie in je hoofd. De dansers zijn aan het communiceren. Spelen is hardop denken, zeg ik vaak. Als er iemand naast een acteur staat, doen ze dat samen. De dansers zetten het volume juist uit. Dat is ook het interessante aan taal, wanneer komt die en waarom komt die in dit project.’

Waarover gaat LIstEn & See (LIES)?
MA: ‘Het is een ontmoeting. Twee werelden die bij elkaar komen met acteurs en dansers. Ann heeft haar componist Arne Van Dongen meegebracht, ik mijn vormgever Theun Mosk. We proberen in alles een soort evenwicht te zoeken om samen te kunnen zijn.’
AB: ‘We wilden trouw blijven aan onze ontmoeting en vanuit de bron van taal en lichaam vertrekken. Wat kun je daaruit afleiden? Als een speler praat en het lichaam doet dat, wat betekent dat dan? Dan kom je op de leugen, de waarheid, het imago, want wat zegt iemand? Dat is het kernconcept.’

Hoe zijn jullie samen aan het werk gegaan?
MA: ‘We hebben in het begin alle spelers geïnterviewd. Hannah van Wieringen, die de teksten schrijft, zat er full time bij. ’s Avonds en ’s ochtends ging ze schrijven en dan kwam ze de volgende dag met nieuwe teksten. Daarin laten de dansers en spelers zien wie ze zijn of wordt een beeld gegeven van wat ze voelen. Nu zijn we dat aan het zetten. We moeten er heel goed luisteren, want het gaat om het geheel. Het is een dwingende compositie, een dwingend decor en negen mensen op de vloer. Dat is heel veel.’

Waarom hebben jullie Hannah van Wieringen gevraagd om de teksten te schrijven?
MA: ‘Zij is een van de besten van haar generatie. Haar taalkeus is bijzonder. Het ritme, de woordkeus. Het is expliciet, ze laat zien wat echt is. Ik ben verliefd op haar taal, het lijf zit in de woorden. Ik denk dat het fysiek is omdat de personages in haar werk zo schaamteloos hardop denken en zelf soms verrast worden door wat ze zeggen. Dan komt pijn en verdriet zo onverwachts naar boven en word je als toeschouwer getuige van de innerlijke wereld.’
AB: ‘Er zit schoonheid en liefde in haar teksten, maar tegelijkertijd haat en iets donkers. Hetzelfde gevoel dat ik heb met de songteksten van Nick Cave die ik in eerdere voorstellingen gebruikte. Soms vraag je je af bedoelt hij dat nu zo of zo, is hij nu blij of juist niet? Dat heeft Hannah van Wieringen met haar teksten.’

Wat hebben jullie aan de spelers gevraagd?
AB: ‘Eenvoudige vragen als ‘heb je een leugen in je leven?’. Waar ze angst voor hebben.’
MA: ‘Beschrijf jezelf. Beschrijf hoe anderen jou zien. Dat is ingewikkeld want dan geef je meteen een interpretatie. Is dat de waarheid of een beeld dat je er zelf van hebt gemaakt? Daar zijn we mee bezig. Hoe breng je dat over in beweging en waar zit de emotie? Dat is soms lastig te combineren. Je hebt een emotie en die ga je dan ook nog verwoorden. We moeten telkens een tegenkleur zoeken, zodat je niet alles dubbel ziet.’
AB: ‘We doen veel experimenten. Iemand die een blij verhaal vertelt, terwijl het lichaam in verdriet is. Dat is heel moeilijk. De speler moet dan het verdriet loskoppelen want woorden beïnvloeden het lichaam.’
MA: ‘Daar zoek ik al jaren naar om dat zo te kunnen gebruiken. Dat je fysicaliteit moet helpen om te spelen.’

Jullie zijn al een aantal weken bezig. Wat hebben jullie gevonden?
AB: ‘Daarvoor is het nog te vroeg, we zitten vooral met vragen. En iedere dag gaan we opnieuw het gevecht met het illustratieve aan. We onderzoeken het praten in een ritme, een soort metronoomgevoel. Voor de acteurs is dat heel anders dan voor de dansers die daar al ervaring mee hebben. We hebben ooit afgesproken dat de voorstelling een soort partituur moet zijn. Daar werken we aan in woord en beweging.’
MA: ‘In het begin had ik bepaalde vooroordelen en gedachten, maar ik kom er nu achter dat het gesprek over het verschil tussen dans en theater helemaal niet interessant is. Eigenlijk doen we precies hetzelfde, we spreken alleen een andere taal. Het is een podiumkunst gebaseerd op dezelfde principes. Dat vind ik mooi om te ontdekken. Natuurlijk is er verschil in de disciplines als je kijkt naar hoe lang een loopbaan duurt, hoe hard er gewerkt wordt om fit te blijven etc. Maar het is een eye opener dat het uiteindelijk als kunstvorm niet van elkaar verschilt. Daardoor word ik nog verliefder op de podiumkunsten. Van de ontdekking dat er nog zoveel mogelijk is, krijg ik energie.’

Welke vooroordelen had je?
MA: ‘Over dansers die niet kunnen denken of praten. Die zijn er ook, maar de dansers van Ann kunnen dat wel.’
AB: ‘Dat heeft te maken met mijn werkmethode en bewegingstaal. Ik ben er ondertussen achter dat mijn manier van werken veel overeenkomsten vertoond met method acting. Ik doe hetzelfde, maar dan met beweging en emotie. Ik werk bijvoorbeeld met eilanden waarop de dansers puur en alleen lust voelen of controle, dan pas bouw ik verder naar bewegingen toe. De dansers zijn daarin getraind. Dat is een vorm van fantasiegebruik om in een emotionele toestand te komen en dan te gaan handelen, of dat nu met tekst is of het lichaam.’

Ann komt meestal met een vastomlijnd plan in de studio. Marcus werkt zowel vanuit een bestaande tekst als met improvisaties. Hoe gaat dat in de studio en hoe hakken jullie knopen door?
MA: ‘Ik werk veel gestructureerder dan anders, terwijl Ann meer op zich af laat komen. Elke dag na de repetitie bespreken wat we daarna gaan doen. Dat is heel fijn. We volgen de natuurlijke weg van de communicatie van waar we zijn naar de vloer. Op het moment dat we fysiek bezig zijn, vind ik het goed dat de spelers de stem horen van Ann, want dat is helderste stem. Dan fluister ik.’
AB: ‘We hakken nu al constant knopen door. Meestal zitten we op dezelfde golflengte.’
MA: ‘We hebben beiden iets heftigs, we zijn gepassioneerde mensen.’
AB: ‘Voila.’
MA: ‘We houden van dwingende theatraliteit. Je kunt de voorstelling niet zomaar wegzetten. Love it or hate it. Net als Sarah Kane ook vaak zei.’

Marcelle Schots

Terug naar boven



Strijd tussen lichaam en geest in LIstEn & See
Interview met Joep van der Geest

Is het mogelijk te liegen met je lichaam? En wat gebeurt er als jouw woorden liegen, maar je lichaam de waarheid vertelt? In LIstEn & See, een coproductie van Toneelgroep Oostpool en dansgezelschap WArd/waRD, raken acteurs en dansers verwikkeld in de strijd tussen lichaam en woord. Plug Outredacteur Eline sprak met acteur Joep van der Geest, die meespeelt in deze bijzondere ontmoeting tussen dans en toneel.

Waar gaat LIstEn & See over?
‘Het is een ontmoeting tussen dansers en acteurs en dat is ook waar het stuk grotendeels over gaat. Daarin komt de vraag naar voren in hoeverre je kunt liegen met je lichaam of met taal. Als jouw lichaam verdriet uitbeeldt terwijl je iets heel blij zegt, wat doet dat dan? Het gaat over de relatie tussen schijn en werkelijkheid.’

Wat voor rol speel jij hierin?
‘Er is geen rolverdeling. Alle dansers en acteurs zijn gelijk, iedereen is een mens en we proberen allemaal iets te zijn. Als mens moeten wij iets dragen, bijvoorbeeld het leven. Wij krijgen in het stuk allemaal echte gewichten op onze schouders, waardoor we letterlijk onder druk komen te staan. Het publiek kan hier zijn eigen interpretatie aan geven. Hiernaast speelt ook de vraag: wat is eerlijk? Dat is interessant, want in principe is alles op het toneel natuurlijk gelogen. Het mooiste zou zijn als het voor het publiek niet duidelijk is wat wel geen leugen is en wat niet.’

Hoe heb jij de combinatie tussen dans en toneel ervaren?
‘Ik vind het een bijzondere en vruchtbare combinatie. Toneelspelers maken vaak niet optimaal gebruik van hun lichaam, het zijn vaak alleen maar pratende hoofden. Bij dansers is dat juist andersom, dansers slaan vaak dicht als ze iets moeten zeggen. Het was voor mij dan ook een hele uitdaging om de ingewikkelde choreografie aan te leren. Ik heb nog nooit zoveel spierpijn gehad, elke dag weer en op plekken waarvan ik niet wist dat ik er spierpijn kon hebben. Een hele gekke, nieuwe ervaring kun je wel zeggen.’

Hoe zijn jullie te werk gegaan?
‘In het begin zijn we de teksten gaan leren, zowel de dansers als de acteurs. Vervolgens hebben alle acteurs allerlei phrases aangeleerd gekregen. Ik weet de Nederlandse term niet, want we krijgen alles in het Engels. De dansers komen van over de hele wereld, dus alle communicatie gaat in het Engels. Zo heb je bijvoorbeeld de falling phrase waarbij we alleen maar moeten vallen. Daarbij krijgen we bijvoorbeeld de opdracht dat we heel hard moeten vluchten voor alles en hierbij moeten we dan allerlei phrases toepassen.’

Zou je kunnen beschrijven hoe jouw repetitieschema er vandaag uit zag?
‘We beginnen ’s ochtends met een opwarming van een uur. Dit zijn vooral sit-ups en push-ups, omdat we in het stuk samen 100 kilo aan gewicht moeten dragen. De choreografe Ann Van Den Broek staat ook wel bekend om ‘uitputting’ in haar voorstellingen. Na de opwarming is het achter elkaar door ensceneren (de scènes gereed maken, red.). Het gaat hierbij nog heel erg om de invulling van onze lichamen, er wordt in de choreografie zelfs gelet op wat je met je kleine teen doet.’

Heb je nog tips voor jongeren die acteur of actrice willen worden?
‘Denk er heel goed over na of dit echt is wat je wilt. Toneelspeler zijn in Nederland is keihard. Er zijn zoveel bezuinigingen en daarbij wordt er zo weinig belang gehecht aan kunst in Nederland. Denk goed na of je die pijn echt wil lijden.’

Eline van Leeuwe

Terug naar boven



‘Ondanks alles bleef ik hem dolgraag zien’
De choreografe Ann Van den Boek liet zich voor haar nieuwe choreografie inspireren door haar gevoelens voor haar overleden broer. Hoe doe je dat, zonder larmoyant te worden? ‘Mijn bewegingen zijn poepsimpel.’ DOOR MIRJAM VAN DER LINDEN

‘Ik was een bang kind. Mijn ouders waren bijna nooit thuis. Op een middag was het Toms beurt om op mij te passen. Hij wilde naar zijn vrienden, ik wilde niet alleen blijven. Toen heeft hij voor mij een troon gemaakt. Van strips. Wij hadden veel stripboeken thuis. Ik in de zetel, muziekje erbij. Dat was heel lief. Eigenlijk was hij een sociaal persoon. Tot het mis ging.’
De Vlaamse choreograaf Ann Van den Broek (38), die van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouw Directeuren (VSCD) onlangs voor Co(te)lette de belangrijkste Nederlandse dansprijs kreeg, heeft lang getwijfeld of ze over haar broer zou vertellen. Hij overleed twee jaar geleden en is de inspiratiebron geweest voor haar nieuwe stuk I SOLO MENT, dat dit weekend tijdens CaDance voor het eerst in Nederland te zien zal zijn. Ze wil een eenduidige interpretatie voorkomen, legt ze uit op een Haags terras, glas witte wijn en sigaretten onder handbereik. ‘Maar omdat ik weet dat er zoveel mensen zijn die hetzelfde meemaken, vertrouw ik op de universele lading van mijn verhaal.’

Tom Van den Broek was een succesvol fotograaf (hij werkte onder meer voor platenmaatschappijen) totdat de combinatie van drank, psychoses en, zo vermoedt men nu, beginnend autisme hem steeds meer in zijn eigen wereld dreven. Voor Ann Van den Broek is zijn overlijden een culminatiepunt. ‘Hij is weliswaar gestorven aan lymfenkanker, maar ik zie zijn dood als een langzame zelfmoord. Hij was iemand met een eigen handleiding. Talentvol, maar compromisloos. Dat werd steeds erger. Met wensen van opdrachtgevers wilde hij geen rekening houden. Op een bepaald moment besloot hij zelfs zijn camera niet meer aan te raken. De ironie is dat hij juist mensen portretteerde. Vrij sober en dramatisch, vaak in zwart-wit.’
De elf jaar oudere broer heeft altijd gemengde gevoelens opgeroepen. Daarover gaat I SOLO MENT. Van den Broek: ‘Tom was mijn held. Hij bracht mij in contact met kunst. Mijn vader was arbeider, mijn moeder secretaresse. Hij was in huis de creatieve persoon die interessante dingen deed. Toen alle punkers hun ogen zwart schilderden, ging hij de straat op met een groen oor. Maar geleidelijk gleed hij af. Naar een monster, zou je bijna zeggen. Ik kon steeds minder tot hem doordringen. Dat maakte me verschrikkelijk machteloos. En ondanks alles bleef ik hem dolgraag zien.’
Van den Broek besloot het intiem en simpel te houden: twee solo’s naast elkaar, voor een vrouw (Cecilia Moisio) en een man (Dario Tortorelli). Het bewegingsmateriaal waarmee zij aan de slag moesten, maakte zij vooraf, in haar eentje, door op camera te improviseren. Zodra ze daarmee begon was het volgens haar paradoxaal genoeg al gedaan met het persoonlijke, ‘omdat het zoeken naar de essentie een vorm van abstrahering is.’

Van den Broek vertrekt in al haar stukken vanuit een autobiografisch gegeven en zoekt daar zo herkenbaar mogelijke, uiterst menselijke beelden en bewegingen bij. De drie danseressen in Co(te)lette schudden met hun kont of laten hun vlees lillen en trillen door met het lichaam te schokken. Hier staan onbetwist een stel wellustelingen of lustobjecten, gedreven door een onverzadigbare drang. Leidraad bij de mannenrol in I SOLO MENT was onverwacht gedrag, bij de vrouwenrol de onmacht om contact te maken en de pijn van verlies. De choreograaf: ‘Wat doe je als je iets wilt hebben? Dan reik je daarnaar. Als iets zeer doet, gaat je hand naar de plek waar de pijn vandaan komt. Of je wiegt en krimpt ineen.’ Met een grijns: ‘Mijn bewegingen zijn poepsimpel.’
De complexiteit van Van den Broeks werk zit in de manier waarop de bewegingen worden ingezet. ‘Daar begint het maniakale in mij’, vindt ze zelf. ‘De detaillering en het perfectionisme waar de dansers gek van worden. Mijn choreografieën zijn echt mozaïekjes.’
Van den Broek danste lang bij de grand dame van de Nederlandse moderne dans Krisztina de Châtel, en dat zie je. Ook haar dans is enerzijds explosief en anderzijds gezet in een rigide kader van heldere patronen en minimalistische herhalingen. De Co(te)lette-dames roepen zodoende niet alleen allerlei concrete associaties op, maar drukken je ook met de neus op abstractere kwaliteiten als tempo, dynamiek en ruimtelijkheid.

Met de man in I SOLO MENT doorbreekt Van den Broek een patroon. In de handvol producties die ze heeft gemaakt, draait het bijna uitsluitend om vrouwen. Omdat haar ‘drive’ om te choreograferen zo sterk uit haarzelf komt, voelde die keuze logisch.
Van den Broeks vrouwen zijn krachtig én vrouwelijk. Typisch het statement van een eigentijdse feministe? ‘Ik zou het niet weten’, zegt zij. ‘Waarschijnlijk wel. Mijn vriend steunt mij volledig zodat ik kan doen wat ik moet doen. In veel relaties is zo’n verdeling onbespreekbaar.’
Zelfs de powerladies in de Vlaamse dans van grootheden als Vandekeybus en De Keersmaeker kunnen volgens haar nog wel zelfbewuster: ‘De danseressen zijn energiek, maar ij de een toch vooral ondergeschikt en bij de ander mooi.’
De vrouwen bij Van den Broek gaan gekleed in Belgisch design. Ze stappen kordaat rond en doen graag onverwachte dingen. Zodra je een patroon meent te herkennen, gaan ze een andere kant op. Het ligt voor de hand deze onrust te verklaren als een tegenreactie op haar broer. ‘Als er niets gebeurt word ik heel nerveus’, zegt ze zelf. ‘Impasses maken me bang. Ik houd van confrontaties. Dat heeft te maken met contact willen hebben.’

Terug naar boven



“Een beweging moet nut hebben”
In Co(te)lette van de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek gaat het er heftig aan toe. Drie danseressen confronteren het publiek met de vrouwelijke drang, lust en verleiding. “Ik heb een permanent onrustgevoel, en dat leidt tot vonken op het toneel.”

Sinds Ann Van den Broek (1970) acht jaar geleden haar eigen weg ging als choreografe, is het snel gegaan. De Vlaamse maakte de succesvolle voorstelling FF+REW voor Dansgroep Krisztina de Châtel en is sinds enkele jaren vaste gast tijdens de Nederlandse Dansdagen. Na de eerdere nominatie van E19 (Richting San José) dingt nu Co(te)lette mee naar de Zwaan voor de ‘meest indrukwekkende dansproductie van het seizoen 2007/2008’. Bovendien is danseres Cecilia Moisio genomineerd voor de ‘meest indrukwekkende dansprestatie 2008’.
Van den Broek blijft nuchter onder het succes. “Zo’n nominatie is natuurlijk een vorm van erkenning en het draagt bij aan de bekendheid van mijn gezelschap, maar het is ook relatief; er zijn zo veel awards.”

Confrontatie
De waardering voor Co(te)lette komt niet helemaal onverwacht. Van den Broek: “Het is een voorstelling waarover heel veel is gepraat. Dat komt vooral doordat het geen pure abstracte dans is. Co(te)lette gaat over de onweerstaanbare drang van vrouwen, maar ook over aandacht, uiterlijk, vergankelijkheid. Het stuk toont dat vrouwen soms slachtoffer kunnen worden van hun eigen drang, hun onophoudelijk verlangen naar meer. In één scène wordt een vrouw letterlijk als een stuk vlees behandeld. Daar kun je van alles in zien; een eenduidig antwoord is er niet. Voor mij is het interessant om de confrontatie met het publiek aan te gaan. De toeschouwers moeten hun eigen mening vormen. Ik hoop op een reactie, een wisselwerking.”

De stijl van Van den Broek wordt wel aangeduid als ‘emotioneel minimalisme’. Daar kan de choreografe zich wel in vinden. “Bij mij vertrekt elke beweging vanuit een gemoedstoestand. Ik begin met een bepaald gevoel. Vervolgens ga ik onderzoeken hoe een lichaam zich in die toestand gedraagt. Dat doe ik onder andere door met een camera mijn eigen improvisaties te filmen. Mijn doel is om de essentie van een emotie tot het uiterste te ontleden. Daartoe gooi ik alle overbodige bewegingen weg, ook al zijn ze nog zo mooi. Een beweging moet nut hebben, relevantie vind ik heel belangrijk.”

Dualiteit
Voor haar choreografieën werkt Van den Broek regelmatig samen met componist en contrabassist Arne van Dongen. In Co(te)lette maakt hij een geluidsdecor van onder meer kerkorgels en oude weefgetouwen. “Arne is een echte soundfreak. Toen hij met het idee van kerkorgels kwam, dacht ik oei nee, maar hij heeft de klanken zo bewerkt dat de uiteindelijke compositie nauwelijks meer aan een kerkorgel doet denken. Hetzelfde geldt voor de weefgetouwen. Wat je hoort zijn de pompen van de machines en dat past perfect in de sfeer van Co(te)lette.”

Typerend voor de producties van de Vlaamse choreografe is een permanente staat van onrust. Een hardnekkige karaktertrek, lacht Van den Broek. “Ooit ga ik nog eens een harmonieus stuk maken, maar nu lukt dat nog niet echt. Ik heb eenmaal die innerlijke strijd, dat urgentiegevoel. Zo van nu moet het gebeuren. In mijn werk worstel ik altijd met de dualiteit tussen emotie en beheersing. Ik vertrek vanuit de emotie, maar ik haat sentimentaliteit. Mijn werk mag nooit stroperig worden, ik wil elke beweging controleren.”

Tijdens de Dansdagen maakt Co(te)lette deel uit van het festivalprogramma, dat door een jury van fotografen en filmers is samengesteld. Zij selecteerden vijftien voorstellingen als hoogtepunten van het seizoen 2007/2008. Van den Broek verheugt zich op het weekend Maastricht. “De Dansdagen zijn een feest. Ik kom er alle mensen tegen die ik wil zien, het levert publiciteit op en het is echt een uitje. Toen ik hoorde dat er plannen waren om naar Amsterdam te verkassen, dacht ik o nee, de Dansdagen móeten in Maastricht blijven. En gelukkig is dat gebeurd.”

Meyke Houben

Terug naar boven


Een gesprek met Ann Van den Broek over E19 (richting San José)
Ann Van den Broek maakte haar eerste choreografie toen ze elf was, omdat ze muziek hoorde die ze prachtig vond. Ze zocht naar bewegingen die bij de muziek pasten, maar die ook nieuw waren - ‘Allee, nieuw voor een elfjarige dan’ - Van den Broek zocht een eigen bewegingstaal.
Ruim twintig jaar later is de Vlaamse choreografe ver gevorderd met haar onderzoek. Ze deed ervaring op als danseres bij spraakmakende gezelschappen als Elisa Monte Company en Dansgroep Krisztina de Châtel. Hoewel ze in die tijd ook al choreografieën maakte, trad ze er zes jaar geleden pas echt mee naar buiten. ‘Ik wilde eerst 200% danseres zijn, want dat voelde goed. Bovendien, om choreografe te zijn moet je stevig in je schoenen staan én rijpen.’
Haar choreografieën werden in Nederland opgemerkt; FF+Rew en Quartet with One kregen een warm onthaal. Komend seizoen trekt haar voorstelling E19 (richting San José) door het land. Een voorstelling ontstaan uit het verlangen naar een veilige plek in deze volle wereld. ‘Zo’n thema groeit in mij en als ik overborrel, ga ik aan de slag.’

Van den Broek: ‘De laatste jaren ben ik mezelf heel erg voorbij gerend. Je gaat in een trein zitten en die trein stopt niet. Ik had een enorme drang om eigen werk te maken, maar als je geen eigen gezelschap hebt, moet je alles zelf regelen. Het project op poten zetten, subsidies aanvragen, dansers zoeken, de tournee regelen. Daarnaast vond ik steeds meer thema’s die me prikkelden en die ik wilde verwerken. Bovendien wilde ik mijn vrienden blijven zien en alle interessante evenementen die er waren, meemaken. Op een gegeven moment dacht ik, waarom doe ik dit? Ik wil even niks. Een veilige plek waar ik kan cocoonen en weer tot mezelf kan komen. Toen hoorde ik het liedje San José en het begon in me te borrelen. Ken je het? Ik zal het eerste couplet zingen: Do you know the way to San José? I’ve been away so long. I may go wrong and lose my way. Do you know the way to San Jose? I’m going back to find some peace of mind in San José.’

San José is een nummer van Burt Bacharach uit 1971 en het gaat over de ideale plek op aarde waar je vrienden op je wachten en waar altijd rust heerst. Het is het soort thema dat zowel universeel als persoonlijk is. Net als eerdere projecten van de choreografe, zoals Quartet with One, waarin ze de behoefte aan menselijk contact onderzocht. ‘Dat ontzettend intense moment van geluk als je even samen bent en tegelijkertijd het besef: morgen is het voorbij.’ Als Van den Broek eenmaal borrelt, borrelt haar omgeving als vanzelf mee. Bij Quartet with One vond ze een oude vriendin die naar Canada was verhuisd, bereid om mee te dansen. Het thema contact en afstand kreeg er toen letterlijk een dimensie bij. In het geval van E19 (richting San José) diende zich na de ontdekking van het liedje een vriendin aan, die per toeval op het punt stond naar San José te vertrekken. Van den Broek vroeg haar zoveel mogelijk foto’s te nemen van zowel haar reis als van het stadje.‘En wat bleek; San José was allang niet meer die idyllische plek vol boomgaarden die het vroeger was. In tegendeel, San José heet tegenwoordig ‘Sillicon Valley’, de plek waar Bill Gates de scepter zwaait en de ontwikkelingen niet meer bij te houden zijn.’

Door die ontdekking stuitte Van den Broek opnieuw op de paradox van oprecht verlangen naar iets moois, dat in werkelijkheid nauwelijks te benaderen is. In Quartet with One ging het om de kinderlijke behoefte volledig samen te zijn, die voor een volwassene, zeker in een repetitieproces, niet te bereiken valt. E19 (richting San José) gaat over een reis naar een ideaal stadje dat niet blijkt te bestaan, maar vooral ook over alle bagage die een mens onderweg met zich meesleept in de hoop dat stadje tóch te bereiken. En dan is er natuurlijk nog de paradox voor het privéleven van Van den Broek zelf. Ze zocht naar een moment van rust en werd bevangen door werklust om een voorstelling over rust te maken.
Twee studies op dansopleidingen deed Van den Broek om bewegingsmateriaal te verzamelen. Het meest geliefde beeld dat ze vond is de danser die met wijd geopende mond onder een speakerbox staat. Alle informatie die uit die speaker naar beneden valt, wordt opgezogen. ‘Ik heb een pasgeboren kindje en die doet dat ook. Niet alleen met zijn mond, maar met zijn hele wezen. Hij is enorm gretig op zoek naar alles wat nieuw is. ‘Kom kom ik wil ik wil’ lijkt hij voortdurend met zijn lijfje uit te drukken. Ik ben met het stuk in mijn achterhoofd heel goed op hem aan het letten.’

Die behoefte aan overdaad is volgens Van den Broek puur menselijk. ‘Een mens is niet geprogrammeerd is om ‘nee’ te zeggen. De gretigheid van het kind zit ook in de volwassene. Het maakt je vol, het maakt dat je het leven voelt. Maar het is de maatschappij die leert dat je kritisch moet zijn, grenzen moet trekken. En er zit ook wat in, natuurlijk, teveel is teveel. Wie alsmaar doorgaat wordt platgedrukt door alle kennis en prikkels.’
Het materiaal dat Van den Broek nu heeft verzameld zal ze in een laatste fase weer gaan elimineren. ‘Weer zo’n paradox, weer een strijd. Ik wil afbakenen en elimineren in een stuk dat over ontzettend veel tegelijk gaat. Dat zal wel weer een conflict worden, maar gelukkig kan ik me in een strijd zeer op mijn gemak voelen. Juist als ik het mezelf moeilijk maak, prikkelt me dat om verder te gaan.’

Van den Broek weet dat haar thema’s universeel zijn. Dat de wereld er al jaren over filosofeert. Het verschil met de wereld is dat zij de thema’s omzet in beweging. Dát is haar taal, die spreekt ze beter dan de literaire geschriften die ze soms voor subsidie moet indienen. ‘Dans en beweging staan voor mij vanzelfsprekend op de eerste plek. Als ik verliefd zou zijn op een man, dan zou ik eerst op een bepaalde manier kijken of bewegen en dan pas zeggen ‘ik vind je interessant.’

In een samenleving die bestaat uit televisies, radio’s, films en andere reproduceerbare, talige media, is een vluchtige kunstvorm als dans schaars aan het worden. Misschien dat er daarom steeds minder mensen naartoe gaan en dans de naam heeft ‘abstract en ontoegankelijk’ te zijn. Van den Broek ziet het eenvoudig. Dans is beweging en de mens beweegt zichzelf. ‘Het enige dat er méér gebeurt dan bij een normale wandeling van a naar b, is dat ik die bewegingen ontleed. Dans staat heel dicht bij het leven.’

Jowi Schmitz

Terug naar boven


Bij iedere smak trekt er een rilling door de zaal
Heftig dansstuk van choreografe Van den Broek bij Krisztina de Châtel
Vijf vrouwen laten zich beurtelings op de vloer vallen. Eénmaal op de grond beuken ze hevig met hun heupen tegen de vloer. De eerste val blijkt het begin van een reeks: nadat ze zijn opgestaan smijten de vrouwen zich net zo makkelijk weer tegen de grond. Kniebeschermers of niet, dat moet pijn doen, bij iedere smak trekt er een rilling door de zaal. De dagelijkse bewegingen die ertussen zijn verweven, zoals een voortdurend ja knikken, bieden geen verlichting, maar maken de situatie des te schrijnender: FF+Rew is een heftig dansstuk, waarin de choreograaf de dansers meedogenloos manipuleert. Het werk is geen product van een mannelijke machtswellusteling, die monkelend met de danseressen schuift alsof het schaakstukken zijn, maar van een vrouw van 31, de Vlaamse Ann Van den Broek. Ze is één van de drie jonge choreografen die een kort werk mochten maken voor het nieuwe programma van Dansgroep Krisztina de Châtel. “Een dansstuk maken voor deze groep voelt als thuiskomen”, zegt Van den Broek. Zeven jaar lang, tussen 1990 en 1997, was ze zelf danseres bij het gezelschap. Van den Broek, alerte ogen in een levendig gezicht, werd bekend om de energieke manier waarop ze zich in de vaak uitputtende dansstukken van De Châtel gooide. Na haar vertrek keerde ze terug naar België waar ze begon met choreograferen. Dat de Vlaamse de kans kreeg om het werk te maken voor Dansgroep Krisztina de Châtel was toevallig en ook weer niet. “Krisztina en ik hebben steeds contact gehouden, we volgden elkaars werk. Bij een glas wijn vroegik haar eens voorzichtig, zeg Krisztina de choreografen die bij jou werk mogen maken moeten die al heel erg ervaren zijn? Ze antwoordde van niet.” Dus kan ik ook één van die mensen zijn" was mijn volgende vraag. “Ja, zei Krisztina toen heel eenvoudig en daarmee was het beslist.” Het kwam Van den Broek goed uit dat ze louter danseressen tot haar beschuikking kreeg voor het stuk: “Als danseres ben ik toch vertrouwder met het werken voor vrouwen, voor mannen had ik mijn bewegingsmateriaal moeten aanpassen.” Collega's van vroeger treft ze niet, de groep heeft een duidelijk verjongingskuur ondergaan. “Het grote verschil is dat Krisztina nu zoveel danseressen heeft, destijds was ik één van de weinige. Toen ik als twintigjarige bij haar begon, had ik allemaal oudere dansers om me heen, de groep is nu aanzienlijk jonger. Maar er zitten al echte persoonlijkheden tussen, boeiend materiaal.” Omdat ze zelf nog danst is het makkelijk communiceren, denkt Van den Broek. Een voordeel is dit keer ook dat ze niet meedanst, zoals in ander werk van haar hand. “Als ik zelf optreed in mijn eigen stukken mis ik vaak hetoverzicht. Dan is het alsof een tweede Ann naast me staat die voortdurend bekritiseert wat ik doe.”

FF+Rew ging een paar weken geleden in Amsterdam in première en oogsste veel waardering. Van den Broek zelf is ook tevreden met het resultaat. “In FF+Rew gaat het over een fysieke of emotionele klap, uitmondend in een val. Ik heb alle overbodige elementen geëlimineerd. Hoewel de dans abstract is, zit er veel emotie in en dat is precies wat ik in mijn werk onderzoek.” Van den Broek zegt met haar dansstukken mensen echt te willen raken. “Ik ben altijd bezig een pijl naar buiten te schieten”, zegt ze, terwijl ze een boogschietende bewegingmaakt.  

Irene Start

Terug naar boven